grensgeval

Toen ik haar hoorde praten, wist ik meteen dat ze Armeens was. De bevestiging kwam in het hoefijzer aan de deurpost van het huis. Hij hing met de einden om hoog, om het geluk niet leeg te laten lopen.

Het eerste gesprek vond plaats voor het raam van de klaslokaal. De kinderen waren buiten aan het spelen, maar we keken steeds naar binnen en dan weer naar onze buggys. Nadat ik had uitgelegd dat mijn vader ook een Armeen was, praatten we over koetjes en kalfjes.

“Heb je al vakantieplannen?” vroeg ik.

“Ja, we gaan naar Armenië toe.”

Ik knikte. Natuurlijk. Als je in het buitenland woont, ga je niet naar Ibiza voor vakantie – tenzij je uit Ibiza komt. Thuis was hier, en familie was elders. Vakantie was een kans om de familie weer te zien.

Mijn familie kwam uit Japan en Iran. We woonden toen in Californië. In de jaren tachtig kwam je als Amerikaan Iran niet zo snel binnen, dus de keuze was een makkie: om de paar jaar brachten wij de zomermaanden door in Tokio. Het feest begon al bij onze aankomst op de luchthaven van Narita. Mijn Obaa-chan – mijn kleine, verschrompelde, Japanse oma – ontving ons altijd met tranen en open armen. De broers en zussen van mijn moeder stonden telkens weer versteld van de haarige “Gorilla” armen van mijn vader.

Maar vliegen naar Japan was duur. De jaren dat wij niet naar Japan gingen, reden wij met de auto naar Mexico.

Op een strand vlakbij de grensstad Tijuana huurden we een bruine bungalow. We wandelden naar Rosarito Beach of gingen even naar het zwembad van het vakantiepark, waar een Mariachi band aan de rand van het zwembad speelde. Omsingeld door luie Amerikanen op ligstoelen liep de band van parasol naar parasol om dollars te verzamelen.

We gingen ook naar Tijuana zelf om lekker door de stad te slenteren. Arme kinderen wilden kauwgom aan ons verkopen. Maar ik ging met mijn moeder naar de man met verse oesters. We aten ze met een pittige salsa uit een wegwerpbeker met een vork. Ik kreeg altijd ongeveer een uur later een koortslip aan één of allebei de hoekjes van mijn mond.

Tijuana was een ritje van drie uur van ons vandaan. Het bleef dus een gemakkelijke plek om er even op uit te gaan, behalve die ene zomer.

Het ging mis aan de grens, toen we naar huis wilden. Als gewoonlijk stonden we al een paar uur in de file. Vanaf een kilometer voor de grenscontrole liepen mannen met brede sombreros tussen de rijen van auto’s in om kleurige, wolle woondekens te verkopen. Alle autoramen stonden open. Verschillende radiozenders gingen door elkaar heen. Door de hitte viel ik op de achterbank op schoot bij mijn moeder in slaap.

Bij de controle vond de douanier dit maar vreemd. Een Armeen uit Iran met een Amerikaans paspoort en een Aziatische vrouw op de achterbank kwam hem blijkbaar wat verdacht over. Het leek bovendien alsof mijn moeder door mijn vader werd meegenomen, zeker toen ze haar greencard niet te voorschijn kon halen. Die had ze thuis laten liggen.

Mijn moeder en ik brachten de nacht door op harde stoelen in een donkere wachtruimte bij de grens. Uit het raam keken we naar beneden op de lichten van de auto’s. Ergens in de nacht braakte ik op de harde, ruwe vloerbedekking.

We wachtten daar totdat mijn vader terug was, die naar huis was gereden om haar greencard te halen. Hij ging gelijk weg, zonder te klagen of mopperen. Héél gerust stapte hij de auto in, en uren later haalde hij ons op, alsof het hem niks had gekost.

Het duurde even voordat ik weer op schoot bij mijn moeder in slaap kon vallen.

Ik zie de sterren uit het autoraam aan de hemel nog voor me.

© 2012 Anastasia Hacopian

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s