fantastisch

Toen de buurvrouw aan haar been geopereerd was, heb ik een ovenschotel langs gebracht. De volgende ochtend stond haar man met mijn schone, lege Pyrex schaal voor de deur.

“Viel als een blok op m’n maag,” zei hij met één hand op zijn buik.

“O,” zei ik.

“Ik ben nu aan het lijnen, dus het kwam wat machtig over.”

“Okee.”

Ik zie het beeld van het gerecht in de gootsteen nog voor me. Op dezelfde dag van een operatie eet níemand wat, en de echtgenoot van de patiënt had de maaltijd te machtig gevonden.

De buurman geeft graag. Hij staat paraat bij lekkages of klusjes. Hij komt ook regelmatig langs met eten dat zijn vrouw heeft doorgestuurd. Deze aardige opa in de zestig staat altijd buiten voor het huis tegen z’n autodak aan te leunen. Ik kan me voorstellen dat hij ook zo aardig was voordat hij met pensioen ging. Voor de vorige eigenaren van ons huis renoveerde hij de woonkamer. Dat vertelde hij toen wij de kamer aan het slopen waren. Dus het is niet alsof hij met zijn vrije tijd niets beters te doen heeft. Hij geeft.

Maar hij vindt het blijkbaar lastig om te ontvangen.

Casseroles, cakejes en complimenten – het zijn dingen die ik graag geef als Amerikaanse. Tegelijkertijd zijn het dingen die hier wel eens op het aanrecht blijven staan – of een beetje in de lucht blijven hangen:

“Thuis heeft mijn dochter het alléén over jou.”

“Hoezo?”

“Hé, je nieuwe kapsel staat je goed.”

“Nou, eh, bedankt.”

“Ik vind je fantastisch.”

(Stil aanblik van verbijstering.)

Het lijkt alsof ze niet willen geloven dat ik het echt meen. Ze lijken zich af te vragen wat erachter zit. Als een donderslag bij heldere hemel voel ik dat ik hun vertrouwen kwijt ben.

Soms denk ik dat het een kwestie van generatie is. Tegenwoordig worden werknemers getraind om complimenten te geven en te ontvangen. Soms denk ik dat het meer te maken heeft met culturele intelligentie, dat Nederlanders die ooit in het buitenland gezeten hebben beter over hun nuchtere, Calvinistische wortels heen kunnen stappen.

Voor de gastheren die mijn cupcakes overbodig vinden en vragen, “Denk je dat we hier niks te eten hebben?”doe ik geen moeite meer. Complimenten merk ik tegenwoordig terloops op, zoals: “Lekker weertje, hé? Wat staat die kleur je goed, kopje thee?” Zo probeer ik met alle liefde de kans op wederzijdse vernedering te verminderen.

Maar af en toe word ik ook verrast.

Afgelopen week ging ik naar de fietsenmaker om mijn bakfiets te halen. De fietsenmaker is een knappe, jonge vent met één diamanten oorbel. Hij is aan de kleine kant, wat misschien handig is voor, bijvoorbeeld, wielrennen. Ik kan me voorstellen dat hij ’s weekends in de club staat te dansen op DJ Tiësto.

De reparatie had langer geduurd omdat de fietsenmaker het verkeerde versnellingswiel had besteld. Toen het goede stuk eindelijk binnen was, maakte hij het meteen. Ik bakte een taart voor hem in de vorm van een ster.

“Voor jullie inzet.” Ik haalde de taart vanuit de onderkant van de buggy te voorschijn.

“Wat leuk! Dank je wel!” Hij was daadwerkelijk aan het lachen. “Het zal zeker lekker smaken!”

Met opluchting reed ik naar huis.

Nooit weer zal de fietsenmaker vermoeid opkijken als ik aan kom lopen. Een tijdje geleden was ik de malle Amerikaan die haar kakfiets in de kou had gewassen, waardoor de remkabels waren bevroren. Nu was ik mal omdat ik een taart had meegebracht.

Daar hadden wij toch allebei wat aan?

© 2012 Anastasia Hacopian

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s