opvoeden is loslaten

Nederlandse kinderen zijn blij. Volgens tientallen lijsten van UNICEF behoren ze telkens weer tot de gelukkigste kinderen van het heelal.

Ik heb er drie. Ik ben zelf echter nooit een Nederlands kind geweest. Zonder kinderen was ik lang geleden met mijn Nederlandse man naar Californië teruggegaan. Als moeder kies ik voor Nederland.

De dingen hier die me ooit gek maakten als alleenstaande Amerikaan zijn juist de dingen die ik prettig vind als moeder. Dat ik me hier veiliger voel dan thuis komt bijvoorbeeld deels door de buren die zich bezig houden met ons leven. Ze laten me op een typisch Hollandse manier weten wat ze vinden van mijn draagdoek (“Hangt ie de hele dag bij je?”), van mijn keuze om thuis te blijven (“Dat is toch zonde?”), van onze dubbele buggy die bijna niet de deur door kan (“Je bent net een kinderopvang!”). Maar hun belangstelling heeft ook z’n voordelen.

Ook de huisartsen zorgen goed voor de kinderen. Als ik voor mezelf bel, word ik meestal aangesproken als een Amerikaan met aanstelleritis. Maar als ik uitsluitend een vraagje over de kinderen wil stellen, word ik aangemoedigd om naar de huisartsenpost te komen, op zaterdagavond, voor alle zekerheid, omdat het om een kind gaat.

Kinderen hebben het hier leuk. Buren, verpleegkundigen, ouderen, de medewachtenden bij het postkantoor – je hoort ze allemaal zeggen: “Laat kinderen kind zijn.” Want kinderen zijn autonome wezentjes die zelf mogen bepalen wat ze willen en wensen. Wij, als volwassenen, moeten hen de ruimte geven om veel te doen, veel te zeggen – en vaak te spelen.

Toen mijn oudste dochter de basisschool begon, werd ik ingeleid in de cultuur van de speelafspraak. Amerikaanse kinderen hebben geen tijd na school om af te spreken. Hun agenda’s zitten vol met lessen, repetities, en sport. Vier jaar is zeker niet te jong om ermee te beginnen, behalve hier in Nederland.

Gelukkig gaat mijn kind naar een school in de buurt, want dat maakt afspreken een stuk gemakkelijker. Het is normaal dat ze straks met haar nieuwe zielsverwant Fleur naar huis gaat om te spelen, hoewel we haar ouders helemaal niet kennen. Het is normaal als ik voor de eerste keer op de stoep bij hen sta wanneer ik mijn kleuter twee uur later kom ophalen.

Ze heeft het alleen maar over dit meisje. Als Mega Mindy en Dora vechten de vriendinnetjes samen tegen de monsters (oftewel jongens, tenzij het Lahar is, want hij is Mega Toby). Fleur heeft bruine krullen, Fleur had een paarse rok aan vandaag, Fleur heeft een vriendenboek van Hello Kitty.

Nadat mijn dochter ongeveer een week op de basisschool zat, stond ik in de Zeeman met twee velletjes van Tinkerbel stickers in mijn handen. Één voor mijn kind, één voor een vriendinnetje, dacht ik bij mezelf. Omdat we al zoveel over Fleur hadden gehoord was het stiekem bedoeld voor haar, dat lieve grietje dat mijn dochter met open armen had ontvangen tijdens de onzekere eerste dagen op de grote school.

Ik zag het voor me: mijn kleuter met de stickers naar Fleur rennen; Fleur met een grote glimlach; haar mama op de knieën om mijn dochter te bedanken. Ik zag het Hello Kitty vriendenboek met ons naar huis gaan, en later, Fleur zelf.

Maar het ging helemaal niet zo. Fleur was al weg met een ander meisje. Ik zag haar naar Olivia rennen met een Dora tekening, en ik zag hoe ze met Oliva en haar moeder weg huppelde. Mijn kind stond daar stilletjes naar te kijken. Ik leidde haar af met vragen over de dag. Ze was chagarijnig, zei ze, omdat ze splinters had in haar maillot.

“Kijk, dit mag je aan een ander vriendinnetje geven.”

“Ik wil het aan Fleur geven.”

Afleiden, afleiden, want Fleur was met Olivia ervandaan.

“Fleur is al weg. Is er iemand anders dat je leuk vindt? Rosalie?”

“Ja, Rosalie.”

“Waar is ze dan?”

“Daar.”

“Nou hup, voordat ze naar huis gaat.”

Mijn dochter rende naar de moeder van Rosalie, gooide het velletje in haar handen, en rende terug. Rosalie keek naar de stickers, keek naar ons, en ging verder met haar zakje chips. Toen kwamen de glimlach en knik van haar moeder.

“Heb je nou uitgelegd dat het een cadeautje is?”

“Nee.”

“O.” Dit gaat helemaal goed, zeg.

“Is dat de moeder van Rosalie?”

“Nee, Eva.”

“Eva? Wie is Eva?” Eva was het meisje met de chips die geen interesse bleek te hebben voor Tinkerbel stickers.

“Rosalie is al weg.”

Eva en haar moeder keken steeds naar ons toe. Ze vonden ons zeker helemaal gek.

“Is Eva ook jouw vriendinnetje?”

“Soms. Mam, mijn maillot jeukt.”

“We gaan, en onmiddelijk.”

Met brandende wangen liep ik achter de grootste dubbele buggy in de geschiedenis van de mensheid en een norse, jeukende kleuter richting huis.

Ik wil ook dat mijn kinderen gelukkig zijn.  Ik wil dat ze behoren tot de gelukkigste kinderen van het heelal, bovenaan de lijst.

Maar om ze gelukkig te maken, moet ik ze los laten.

Ik moet ze zelf laten bepalen wat ze willen en wensen.

Ik moet ze kind laten zijn.

© 2012 Anastasia Hacopian

Advertenties

One thought on “opvoeden is loslaten

  1. Gaaf blogje! Weet je, niet iedereen houdt ervan om steeds kinderen uit te nodigen. Ralph (10) mijn zoontje niiet. Misschien zijn meisjes anders? Zo één keer in de drie weken een woensdagmiddag iemand bij ons. En hij bij een ander ( binnen die drie weken). Hier wonen heel veel kinderen in de straat, daar speelt hij spontaan mee. Jij schrijft zo goed.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s